‘We zijn het bijna verleerd om in een stoel te zitten en naar buiten te staren’

In feministische kringen was Joke Hermsen al lang bekend. Niet alleen door haar feministische filosofische studies, maar ook door literaire werken als De liefde dus (2008), een inkijkje in het leven en denken van Belle van Zuylen. Met het verschijnen van Stil de tijd (2009) heeft ook het grote publiek Hermsen ontdekt. LOVER sprak met deze schrijver – wetenschapper wil ze zichzelf niet noemen – over tijd, kapitalisme, vrouwelijke denkers en spiritualiteit.

Wat bewoog je ertoe je met tijd bezig te gaan houden?

‘Tijd heeft mij al vanaf mijn kindertijd gefascineerd. Ik had als kind de bekende ervaring dat als je ergens heen ging, je zeker wist dat de terugreis korter duurde dan de heenreis. Ik vroeg mijn ouders zelfs om de tijd te klokken en dan zeiden ze: ‘nee hoor, het duurt net zo lang’. Maar ik dacht toen al: nee, het is de klok die niet klopt.

Later studeerde ik in Parijs bij denkers als Julia Kristeva, Helene Cixous en Sara Koffman. Zij zagen de westerse kloktijd als een masculien model en ze probeerden daar een ander tijdsconcept tegenover te zetten. Voor de feministische filosofie van dat moment was tijd heel belangrijk. Een aantal jaar geleden ontdekte ik de filosofie van Henri Bergson. Mijn ervaring dat de kloktijd slechts een praktische, sociale wereldtijd is, maar dat de ware tijd innerlijk ervaren wordt, weet Bergson prachtig te verwoorden. Ik vond bij hem een stevig theoretisch houvast, dat mij de mogelijkheid gaf om een boek vol te schrijven over dit thema. Stil de tijd bevat twaalf inkijkjes in de tijd, allemaal vanuit de gedachte dat tijd twee gezichten heeft.’


Kan je wat meer vertellen over die twee gezichten van tijd?

‘Tijd heeft twee dimensies. Aan de ene kant leef je in een wereld die gestructureerd wordt door de lineaire, meetbare kloktijd. Van die tijd die vergankelijk is, krijgen we allemaal een stukje toebedeeld, namelijk ons eigen leven. Die tijd verloopt chronologisch en dat is de tijd die je hebt, die je als het ware bezit. Aan de andere kant ben je zelf ook tijd. Je bent namelijk alle tijd die je geweest bent, een soort opeenstapeling van alle momenten van je leven. Die tijd is heel anders dan de kloktijd, want die is niet homogeen of statisch. Volgens de kloktijd is elke dag hetzelfde, elk jaar hetzelfde. Maar volgens de innerlijke tijd is elke nieuwe minuut ook daadwerkelijk nieuw, want die minuut komt voort uit alles wat je al geweest bent. De innerlijke tijd is dynamisch en duurt voort, zoals je tijd ook daadwerkelijk ervaart. Deze innerlijke tijd benadert veel meer hoe het echt werkt: het universum, de mens, de ervaring.
Tegenwoordig denken we in het westen dat de kloktijd de enige tijd is. Met Stil de tijd wil ik het bestaan van die andere tijd, de innerlijke tijd, nieuw leven inblazen. Niet om de ene tijd voor de andere te verruilen, maar om een evenwicht tot stand te brengen tussen de beide tijdservaringen. Tegenover de kloktijd, waarmee we onze agenda’s volboeken en onze levens organiseren, wil ik pleiten voor meer ruimte voor ervaringen die vanuit de innerlijke tijd opwellen: concentratie, rust, aandacht, meditatie en creativiteit.’

Ik had gewoon helemaal mijn buik vol van de universiteit. Voor mensen zoals ik met een brede interesse in bijvoorbeeld filosofie, literatuur, politiek en feminisme, is er eigenlijk helemaal geen plaats.

Je koppelt onze huidige tijdservaring aan het ontstaan van het kapitalisme. Maar die ontwikkeling van het kapitalisme is niet zomaar terug te draaien, zoals je ook beschrijft in je boek. Hoe kunnen we dan toch zorgen voor een beter evenwicht tussen kloktijd en innerlijke tijd?

‘Dat is voor een filosoof natuurlijk een moeilijke vraag. Ik heb geen zelfhulpboek geschreven. Maar ik heb er wel een aantal ideeën over. Politici benadrukken constant dat we méér moeten werken. Daartegenover wil ik stellen dat het beter is om minder te werken. Het is tijd om de discussie over de vijfentwintig-urige werkweek, die de Rooie Vrouwen in de Partij van de Arbeid in de jaren zeventig aangingen, opnieuw aan te wakkeren. Minder werken, betekent dat er minder geproduceerd en dus vervuild zal worden. Bovendien zal het de stress, die volksziekte nummer één dreigt te worden, verminderen en zal er meer mogelijkheid zijn om een andere tijd te ervaren.
Maar het inkorten van werktijd is niet voldoende om een andere tijdservaring te krijgen. We zijn namelijk onze vrije tijd met activiteit gaan invullen. Eenmaal van werk thuisgekomen, moeten onze hersenen nog steeds keihard doorwerken. Zappen achter de televisie of surfen op het net vergt heel veel hersenactiviteit. Op deze manier bekeken, werken we in onze vrije tijd vaak zelfs harder dan op de werkplek. Daarom word je van een paar uur zappen moe en chagrijnig; het is uitputtend. Laat die beeldschermen een paar uur per dag dus uit, probeer het. We zijn het bijna verleerd om gewoon in een stoel te zitten en naar buiten te staren. De leegte vliegt ons dan aan. Maar als ik de dag begin door alles aan te zetten, schiet ik gelijk in de stress. Begin ik de dag door muziek aan te zetten, dan kom ik in een hele andere staat van zijn terecht. Dan weet ik ook weer hoe ik met mijn boek verder moet.’

Je bent onder andere geïnspireerd door feministische denkers. Komt jouw feminisme ook tot uiting in het boek?

‘Niet echt. Ik heb ook het ernstige wantrouwen dat het daarom zo’n bestseller is geworden. Een hele bittere grap, maar wel waar, ben ik bang. Volgens mij haalt heel Nederland opgelucht adem dat Joke Hermsen eindelijk eens niet over feminisme schrijft.’

Je haalt wel veel feministen aan.

‘Ja, stiekem probeer ik de lezer te indoctrineren.’

Is dat een bewuste strategie?

‘Nee, ik citeer simpelweg de denkers die mij hebben geïnspireerd. Dat is niet op grond van hun geslacht. Maar het valt me wel onmiddellijk op als er in een rijtje filosofen geen enkele vrouw staat of maar één. Dat zal je in mijn werk nooit aantreffen. Veel mensen zijn nog altijd blind voor datgene wat vrouwen maken. Dat grenst aan het onvoorstelbare na een eeuw vrouwenemancipatie.’

Als ik mij druk moet maken om mijn reputatie, dan had ik wel eerder op kunnen houden!

In je roman De profielschets (2005), die deels gebaseerd is op je eigen ervaringen in verschillende filosofiefaculteiten, verlaat een van de hoofdpersonen de universiteit uit frustratie over de seksistische praktijken daar. Komt haar ervaring overeen met jouw eigen besluit om de universiteit de rug toe te keren?

‘Ik had gewoon helemaal mijn buik vol van de universiteit. Niet alleen vanwege het seksisme, maar ook door de mentaliteit die er heerst. De eis om in het Engels te publiceren, al die visitatiecommissies en dat raten van prestaties; ik vind dat eigenlijk een soort industrialisering van de filosofie. Voor mensen zoals ik met een brede interesse in bijvoorbeeld filosofie, literatuur, politiek en feminisme, is er eigenlijk helemaal geen plaats. De faculteiten zijn zo gespecialiseerd dat de verschillende disciplines nauwelijks met elkaar debatteren.

Ik noem mijzelf dan ook geen wetenschapper, maar liever schrijver in de achttiende-eeuwse betekenis van het woord. Belle van Zuylen, madame de Stael, Denis Diderot: dat waren allemaal verlichte denkers die behalve romans en toneelstukken ook politieke pamfletten en filosofische essays publiceerden. En dat vind ik een mooie traditie. Het opvallende is dat die praktijk in de daaropvolgende eeuwen heel erg naar sekse is verdeeld. Vrouwen zijn meerdere disciplines blijven beoefenen, terwijl mannen zich steeds meer specialiseerden. Er zijn weinig grote mannelijke filosofen die ook een goede roman kunnen schrijven. Terwijl we in Nederland al zo vijf vrouwen hebben die dat kunnen. Marjolijn Februari, Désanne van Brederode, Connie Palmen, Patricia de Martelaere, die een jaar geleden overleden is, en ik. Welke mannen kan je noemen? Ik weet er geen één. Ik denk dat dat deels komt doordat vrouwelijke filosofen concreter denken, minder geneigd zijn om een filosofisch systeem in alle abstractie ex nihilo uit de meccanodoos te toveren.’

Je schreef je laatste essay, Windstilte van de ziel (2010), in het kader van de maand van de spiritualiteit. Vrees je niet dat een associatie met spiritualiteit je reputatie als serieuze academica ondermijnt?

‘Als ik mij druk moet maken om mijn reputatie, dan had ik wel eerder op kunnen houden! Dan had ik nooit één feministisch boek geschreven. Spiritualiteit interesseert mij in de oude betekenis van het woord: dat je aandacht schenkt aan het immateriële. Mijn eigen filosofie is voor een deel op zoiets immaterieels gestoeld. Ik ga uit van een tweestemmige mens. Ieder mens heeft een bewuste, zichtbare, inzetbare identiteit meegekregen. Daarmee doel ik op het verhaal wat je over jezelf vertelt, waarmee je jezelf aan anderen beschrijft en in de wereld plaatst. Daarnaast heeft de mens nog een andere stem, een stem waar door de loop van de eeuwen heen steeds andere woorden voor zijn verzonnen: het onbewuste, het onzegbare, het tacit cogito van fenomenoloog Merleau-Ponty. De dimensie die niet zegbaar of beschrijfbaar is, en die iets met die ziel te maken heeft. Een innerlijkheid die voor ons bewustzijn grotendeels verscholen blijft, maar die een belangrijke drijfveer is achter ons handelen en met name achter onze creativiteit.

Deze tweestemmigheid van de mens zorgt ervoor dat de mens nooit is, maar altijd wordt. Vanuit die innerlijke, onbewuste stem wordt het “ik” steeds weer opengebroken. Het gaat mij erom dat de mens niet verstart tot een categorie of een identiteit, maar wordt. En het is tijdens het beleven van de tijd als innerlijke tijd dat dit soort transgressie, dit worden mogelijk is.

Website Joke Hermsen: http://www.jokehermsen.nl/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s